De Hoge SnelheidsLijn (HSL)
Geen HSL door het vogelgebied Rijnwoude
Geen HSL door het vogelgebied Rijnwoude
Een van de eerste concrete activiteiten van de VWG op het gebied van Ruimtelijke Ordening is de inspraak bij de HSL geweest. Het rapport "Hoe lang nog?" bespreekt de invloed van de HSL op de weidevogels en het voorkomen van de kleine zwaan in de gemeente Rijnwoude (destijds nog Rijneveld). Auteur (namens de vereniging) was .

  1. Inleiding
  2. Wat is een belangrijk weidevogelgebied?
  3. De polders bij Koudekerk aan den Rijn en Hazerswoude
  4. De wintergasten
  5. Het streekplan
  6. Conclusies
  7. Bronnen

Inleiding

Reeds vele jaren, om precies te zijn sinds het voorjaar van 1982, zijn leden van de Vogelwerkgroep Koudekerk/Hazerswoude e.o. aktief in het weidevogelbeheer. Dit heeft in de loop der jaren een schat aan gegevens opgeleverd. De gegevens geven ons meer inzicht in de broedvogelstand van m.n. de weidevogels in de polders rond Koudekerk aan den Rijn en Hazerswoude. Door aanleg en gebruik van een HSL zal de broedvogelstand teruglopen, het overwinteringsgebied van de kleine zwaan zal dermate aangetast worden dat deze vogel niet langer voldoende rust in de polders zal kunnen vinden en daadoor ook uit onze streken zal verdwijnen. In het volgende overzicht zal aangetoond worden dat de polders van grote betekenis zijn als broedgebied voor de weidevogels en als rust- en fourageergebied voor de kleine zwaan.

Wat is een belangrijk weidevogelgebied?

Onder belangrijke weidevogelgebieden worden verstaan, gras- landgebieden met een zodanige specifieke gesteldheid, dat bepaalde vogelsoorten in (naar verhouding) grote aantallen daarop voor hun broedgebied zijn aangewezen. De weidevogelge- bieden zijn geselecteerd op basis van een gecombineerde kwaliatieve (waarde) en kwantitatieve (hoeveelheid) benadering. De kwalitatieve benadering komt tot uitdrukking in een vergelijend waardecijfer per afzonderlijke indicatorsoort. De kwantiatieve benadering wordt uitgedrukt in het aantal broedparen van die indicatorsoorten per oppervlakte-eenheid. Op basis van beide ingangen gezamenlijk is aan weidevogelgeieden een puntenwaardering toegekend. Bij een eindwaarde van 75 of meer punten per oppervlakte-eenheid van 100 ha is sprake van een belangrijk weidevogelgebied. De volgende 9 soorten hebben daarbij als indicator soort gediend, t.w.:

  • kievit (1 punt)
  • scholekster (1 punt)
  • grutto (2 punten)
  • tureluur (3 punten)
  • kluut (3 punten)
  • watersnip (5 punten)
  • kemphaan (5 punten)
  • wulp (10 punten)
  • en kwartelkoning (10 punten).

Het bovenstaande houdt niet in dat een belangrijk weidevogelebied zijn betekenis als zodanig kan ontlenen aan het voorkomen van eerdergenoemde indicatorsoorten. Ook andere, veelal minder algemene tot zeldzame soorten, zijn als broedvogel (grotendeels van deze gebieden afhankelijk. Het betreft:

  • slobeend
  • zomertaling
  • gele kwikstaart
  • graspieper
  • zwarte stern
  • visdief [Bron 1]

De polders bij Koudekerk aan den Rijn en Hazerswoude

De gebieden waarover nu gegevens beschikbaar zijn, liggen nogal versnipperd. Ze liggen in de volgende polders: de Hondsdijkse polder, de Oostbuurtse polder, Polder Oost- en West-Geer. Er is geen reden om aan te nemen dat de broedvogelstand in de niet-onderzochte polders hoger of lager zou zijn dan de broedvogelstand in de weilanden van de polders die wel onderzocht zijn. In de volgende tabel vindt u een overzicht van dichtheden weidevogels per 100 ha, tegelijkertijd wordt het waarderingscijfer toegekend om te kijken of de gebieden als belangrijk weidevogelgebied beschouwd mogen worden.

1988
250 ha onderzocht- dichtheden per 100 ha
kievit
50.8 x 1
=
50.8
grutto
26.0 x 2
=
52.0
tureluur
7.2 x 3
=
21.6
scholekster
9.2 x 1
=
9.1
 
133.6

1989
284 ha onderzocht- dichtheden per 100 ha
kievit
27.5 x 1
=
27.5
grutto
25.0 x 2
=
25.0
tureluur
5.5 x 3
=
5.5
scholekster
10.9 x 1
=
10.9
 
104.9

1990
324 ha onderzocht- dichtheden per 100 ha
kievit
27.5 x 1
=
27.5
grutto
19.1 x 2
=
19.1
tureluur
3.1 x 3
=
9.3
scholekster
8.3 x 1
=
8.3
[Bron 2]
83.3

Er is sprake van een dalend waarderingscijfer, maar nog steeds voldoen de gebieden elk jaar ruimschoots aan de norm (75 punten) voor het predikaat "belangrijk weidevogelgebied".
Bovendien zijn er een aantal kolonies te vinden:

  • Zwarte stern (1988 - 32 paar, 1989 - 29 paar, 1990 - 27 paar)
  • Slobeend (1988 - 13 paar, 1989 - 7 paar, 1990 - 5 paar)
  • Zomertaling ( 1988 - 0 paar, 1989 - 3 paar, 1990 - 3 paar)
  • Graspieper en gele kwikstaart zijn regelmatig aangetroffen broedvogels die jaarlijks of bijna jaarlijks aanwezig zijn.

In de polders ten zuiden van de Rijn heeft de vogelstand lijden gehad van het volgende:

  1. Er vindt een ruilverkaveling plaats
  2. R.W. 11 wordt aangelegd
  3. Het grondwaterpeil is verlaagd
  4. Verstoring door nieuwbouw boerderijen
  5. Verstoring door dempen van sloten en ophogen van weiland

Het is duidelijk dat de aanleg en gebruik van een HSL verdere aantasting van dit toch al kwetsbare gebied zal zijn.

In het voorjaar van 1991 is een gebied van 25 ha. onderzocht dat door de HSL dwarsdoorsneden zal worden, als men voor tracé A zou kiezen. Het betreft de weilanden van de heren C. van den Bergh en T. Reyneveld, gelegen in de Hondsdijkse polder aan de westkant van de Mattenkade grenzend. Het weiland van dhr. van den Bergh heef t de status van "Vogelbroedterrein" d.w.z. dat dhr. van den Bergh met de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels op vrijwillige basis een overeenkomst is aangegeaan die de broedvogels op zijn weiland een grotere bescherming bieden. Hoewel niet bij het onderzoek betrokken ligt op tracé A ten noorden van de Rijn nog zo'n vogelbroedterrein, t.w. het weiland van dhr. A. Jongerbloed. De welianden van dhr. van den Bergh en dhr. Reyneveld zijn niet bij de onderzoeken van 1988, 1989 en 1990 betrokken. Ze werden voor het eerst in 1991 onderzocht. In dit gebied zijn de volgende aantallen broedvogels gevonden. Ook nu weer wordt in onderstaande tabel tegelijkertijd het waardecijfer toegekend dat te vinden is in het "Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud".

1991
25 ha onderzocht
kievit
42 x 1
=
42
grutto
14 x 2
=
28
tureluur
1 x 3
=
3
scholekster
11 x 1
=
11
 
84
Men zou aan deze weilanden dus 4 maal 84 punten = 336 punten (per 100ha) mogen toekennen!
Bovendien zijn de gele kwikstaart (min. 2 paar) en de graspieper (min. 4 paar) als broedvogel vastgesteld.
Op enkele honderden meters afstand van de weilanden bevinden zich 2 kolonies van de zwarte stern (8 paar in 1991) die boven de sloten en het grasland fourageren.
Op de percelen grenzend aan de onderzochte weilanden zijn nog enkele broedparen van de tureluur vastgesteld, dit om aan te geven dat we hier niet met geflatteerde cijfers te maken hebben.
Aanleg van een HSL zou voor dit gebied desastreuze gevolgen hebben voor de weidevogelstand.

De wintergasten

In het structuurschema (een officieel regeringsstuk) worden onder voor ganzen belangrijke gebieden die gebieden verstaan, die van betekenis zijn als doortrek- en overwinteringsgebied voor grote aantallen ganzen.
Dit zijn gebieden waarbinnen in de winterperiode gedurende minstens 3 weken tenminste 500 rietganzen, 1000 exemplaren van andere ganzensoorten en/of 100 kleine of wilde zwanen aanwezig zijn. [Bron 3]
In de Oostbroekpolder, de polder Groenendijk en de Oude Groenendijkse of Barrepolder met daarin gelegen het weidevogelreservaat "de Wilck", komen in de winterperiode grote aantallen kleine zwanen voor. Onder de winterperiode verstaan we de november, december, januari, februari en maart.
Tellingen van de leden van de Vogelwerkgroep Koudekerk/Hazerswoude e.o. leverden de volgende gemiddelde aantallen op.

  • 1987/88 112
  • 1988/89 147
  • 1989/90 091
  • 1990/91 178

De maximale aantallen van de kleine zwaan waren als volgt:

  • 1986/87 18/12/86 197
  • 1987/88 06/02/88 188
  • 1988/89 24/02/89 240
  • 1989/90 17/12/89 200
  • 1990/91 02/03/91 260

Men mag dat wanneer de gemiddelden over een hele winter zijn zoals hierboven beschreven, de aantallen kleine zwaan gedurende meer dan 3 weken groter dan 100 zijn en men dus van een voor ganzen belangrijk gebied mag spreken als men de norm van het structuurschema hanteert. [Bron 4]

Doonsnijding van dit gebied door een HSL zal zeker gevolgen hebben voor de kleine zwanen die we hier 's winters als gast mogen begroeten. Het is niet onmogelijk dat door de verstoring van een HSL en de versnippering van het gebied de kleine zwaan als wintergast uit dit voor ganzen belangrijke gebied zal verdwijnen.

Het streekplan

In het streekplan Zuid-Holland Oost worden de Hondsdijkse en Lagenwaardse polder, waardoor een eventuele HSL aangelegd zou worden, aangemerkt als stiltegebied met natuur- en landschapswaarden.
Het is duidelijk dat van de natuur- en landschapswaarden en het stiltegebied niets meer overblijft, als men zich realiseert dat de HSL op 9 meter hoogte de Hondsdijkse polder aan de zuidkant binnenkomt. Het talud daalt vervolgens tot 1.80 meter om na kruising met de Mattenkade weer te stijgen tot 4.50 meter. Het talud verlaat via de Ruige Kade de Lagenaardse polder aan de noordkant. Voor de Lagenwaardse en Hondsdijkse polder, die je vanuit natuur- en landschapsinzichten als één geheel mag beschouwen is tracé A een zwaard dat dit gebied doormidden snijdt. Ecotunnels en andere technische fratsen kunnen niet voorkomen dat een tweedeling van een voor natuur en landschap belangrijk gebied plaatsvindt.
Het hart van het Groene Hart wordt gespleten! Het streekplan heeft niet voor niets de keuze gemaakt voor stiltegebied met natuur- en landschapswaarden. [Bron 5]

Conclusies

  1. Aanleg en gebruik van de HSL in de gemeente Rijnwoude vindt plaats in een nu nog belangrijk weidevogelgebied. Door de HSL zal de weidevogelstand zeker afnemen.
  2. Aanleg en gebruik van de HSL in de gemeente Rijnwoude vindt plaats in een nu nog voor ganzen belangrijk gebied. Door de HSL zal de kleine zwaan vermoedelijk verdwijnen.
  3. Aanleg en gebruik van de HSL in de gemeente Rijnwoude vindt plaats in een door het Streekplan Zuid-Holland Oost aangemerkt stiltegebied met natuur- en landschapswaarden en is dus strij- dig met het streekplan.

Slotconclusie: Geen tracé A, maar over de bestaande spoorlijn,

Bronnen

  1. Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud - Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 820, nrs 1-2.
  2. Jaarverslagen Weidevogelbeheer in Zuid-Holland 1988, 1989 en 1990 - Stichting Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Hol land, A. van Paassen.
  3. Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud - Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 820, nrs. 1-2.
  4. Interimrapport, overwinterende kleine zwanen in het gebied tussen Leiderdorp/ Zoeterwoude/ Hazerswoude-Dorp/ Alphen aan den Rijn en Hoogmade, M. Mannaart
  5. Streekplan Zuid-Holland Oost, Gedeputeerde Staten van Zuid- Holland, januari 1987.

Verantwoording

Voor de leesbaarheid is het document iets aangepast: Waar gemeente Rijneveld werd genoemd is dat vervangen door Rijnwoude.


De website van de VWG wordt actueel gehouden door . Naar de top van deze pagina.