Soortnaam
'95
'96
'97
'98
'99
'00
'01
'02
'03 '04
'05
'06
'07
'08
'09
'10
'11
'12 '13 '14
'15
'16
Fuut
2
5
5
7
9
7
7
8
7
10
9
10
8
11
6
9
5
6
6
5
5
4
Blauwe Reiger                      
1
Ooievaar
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
2
1
1
Knobbelzwaan
2
4
5
3
3
2
3
5
6
5
6
5
8
6
6
5
8
7
6
6
9
6
Grauwe Gans                    
1
3
2
3
3
4
8
11
9
20
38
37
Kolgans                          
1
Soepgans      
1
0
1
2
0
1
2
1
1
2
3
2
1
1
3
1
4
4
2
Canadese gans      
1
1
1
1
3
1
1
2
4
4
4
4
4
2
3
3
2
3
3
Brandgans              
1
1
0
1
1
1
1
4
1
Nijlgans
1
1
1
3
2
1
1
1
2
3
3
2
3
5
4
6
4
4
4
4
4
3
Bergeend                          
1
1
1
1
Wilde eend
+
+
+
42
46
67
73
61
65
70
90
79
79
109
81
70
55
65
63
63
83
68
Soepeend
?
?
?
?
?
6
4
9
8
10
7
8
9
14
11
6
10
8
4
6
6
4
Smient              
1
Krakeend                  
1
8
8
10
9
13
Slobeend RL
1
   
1
             
1
1
Kuifeend        
2
           
3
1
4
6
13
15
22
13
Bruine Kiekendief                                
1
Buizerd        
1
1
1
2
2
3
3
4
2
2
3
3
2
2
3
3
3
3
Sperwer        
1
2
2
2
2
4
4
2
3
3
2
1
2
1
2
2
2
Havik                          
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Torenvalk
2
2
1
2
2
1
2
1
2
1
2
1
 
Boomvalk RL
2
 
1
 
1
1
1
1
1
1
 
1
1
1
Fazant (hanen/hennen + j.)
4
8
10
15
11
13
9
6
7
8
8
8
9
6
5
7
3
5
6
6
7
5
Patrijs                            
1
Kip                
2
1
1
1
1
1
Waterral          
2
1
1
2
1
1
1
2
1
Waterhoen
8
12
14
8
13
14
12
10
9
12
15
19
19
9
8
7
8
8
5
9
13
1
Meerkoet
21
22
28
25
24
26
27
28
36
38
41
51
48
44
42
47
36
26
29
16
26
25
Scholekster  
1
                 
1
1
1
1
1
1
1
1
Houtduif
21
23
26
29
30
26
23
20
24
18
22
19
21
13
17
9
9
15
17
9
18
8
Holenduif
6
6
7
10
6
6
8
4
3
8
8
7
7
4
6
5
5
4
3
4
4
5
Turkse tortel  
1
1
2
1
2
1
       
1
2
1
Halsbandparkiet                          
1
1
Koekoek RL
1
1
1
2
2
2
1
1
1
3
1
3
1
1
1
1
1
1
1
Ransuil RL  
1
2
2
2
4
4
4
4
5
4
3
4
1
2
2
1
1
1
2
2
IJsvogel                        
1
1
1
Grote bonte specht    
2
0
0
1
2
2
4
4
5
4
1
 
2
4
3
4
5
3
4
3
Groene specht RL            
1
       
1
Witte Kwikstaart
1
1
                 
1
1
2
2
1
1
1
1
1
Winterkoning
19
9
8
23
25
24
25
26
23
23
33
26
39
32
30
19
25
27
26
31
32
34
Heggenmus
1
1
2
5
3
5
5
8
7
7
12
9
8
6
9
10
8
7
8
7
12
11
Blauwborst                    
1
1
1
1
1
2
Roodborst          
2
0
0
1
0
2
3
4
5
8
3
1
1
3
3
Soortnaam
'95
'96
'97
'98
'99
'00
'01
'02
'03 '04
'05
'06
'07
'08
'09
'10
'11
'12 '13 '14
'15
'16
Nachtegaal RL    
1
               
Zanglijster  
1
0
0
1
4
1
0
0
0
1
1
3
2
6
2
2
1
3
4
5
4
Merel
19
14
12
18
17
19
16
25
24
25
26
24
30
22
17
18
21
24
21
21
24
25
Rietzanger
1
2
1
1
2
2
0
2
1
2
1
1
1
3
7
5
4
2
2
2
Bosrietzanger
9
7
4
4
4
4
6
5
2
3
5
10
6
9
6
5
4
3
2
1
6
3
Kleine karekiet
14
23
18
22
24
26
20
22
22
24
24
31
26
23
27
23
31
24
24
23
33
26
Grote karekiet RL                    
1
       
Spotvogel RL
8
1
5
2
   
1
2
2
2
2
5
3
6
8
3
11
5
9
10
12
1
Braamsluiper              
1
Grasmus
1
2
3
5
6
4
5
4
2
2
2
2
1
3
1
1
1
Tuinfluiter
18
11
15
17
10
10
6
14
18
19
16
11
9
13
21
17
11
11
11
8
10
12
Zwartkop
5
0
7
2
5
7
9
10
13
18
14
18
20
17
18
18
20
22
22
25
25
26
Tjiftjaf
5
4
12
8
10
10
13
12
14
14
11
10
22
14
14
16
20
22
20
23
23
22
Fitis
15
16
9
11
11
12
14
12
11
5
7
10
9
4
8
4
8
4
10
2
5
4
Grauwe Vliegenvanger                                
1
2
1
1
2
1
Staartmees              
3
3
2
3
3
2
1
3
2
2
4
2
3
3
2
Koolmees
6
9
10
11
6
9
11
15
12
11
16
16
15
11
18
16
17
16
12
13
17
18
Pimpelmees
2
3
2
4
5
4
6
10
7
8
9
12
12
12
13
11
17
9
9
7
9
12
Matkop RL                
1
1
2
2
1
1
5
Boomkruiper            
1
1
3
1
1
4
3
2
1
4
5
6
4
Gaai
3
4
4
9
6
4
7
4
7
5
8
8
7
5
3
7
4
6
3
5
5
2
Ekster
5
8
9
7
8
9
11
9
7
9
11
10
7
6
4
5
5
6
4
3
3
9
Zwarte kraai
8
6
9
7
9
11
12
12
14
12
18
14
14
13
14
13
12
15
9
9
9
Wielewaal RL                      
1
1
Spreeuw
1
1
1
1
1
1
     
Huismus                                      
1
RingmusRL
9
10
10
9
5
2
3
3
3
2
1
2
2
2
1
1
2
Vink
3
6
9
5
7
8
4
5
9
7
14
16
22
16
15
20
21
20
19
19
20
24
Groenling
2
0
1
0
1
           
2
4
1
2
1
1
2
1
1
Putter    
1
0
0
0
1
0
1
1
0
1
2
2
2
1
3
1
Kneu RL
1
                   
1
Rietgors
5
6
8
8
6
6
7
6
5
8
6
6
5
4
5
6
6
7
6
7
7
6
Totalisering
'95
'96
'97
'98
'99
'00
'01
'02
'03 '04
'05
'06
'07
'08
'09
'10
'11
'12 '13 '14
'15
'16
Totaal broedende koppels
243
240
270
332
329
371
371
384
402
418
485
493
510
478
470
427
425
411
426
434
550
493
Totaal soorten per jaar
39
36
41
37
42
43
46
44
48
45
50
51
47
52
49
50
51
52
50
55
53
53
Totaal soorten vanaf 1995
39
43
47
48
51
53
55
59
61
61
64
66
70
70
70
70
72
73
74
76
76
76
Totaal soorten RL 2004
6
5
6
5
4
4
6
5
6
6
6
8
6
6
5
4
3
4
5
5
4
5

De langs de weg gelegen weilanden en boerenerven maakten geen deel uit van het echte inventarisatiewerk. Oostelijk wordt het gebied begrensd door het bosje vlakbij het tankstation aan de ringweg (N11) Alphen, de westgrens is de Oostvaart. Over de weg gemeten is de west-oost-afstand ongeveer 3 kilometer, gemiddeld is het gebied ongeveer 125 m diep. Al met al wordt er elk jaar dus ongeveer 40 ha ge´nventariseerd.

De gegevens worden doorgegeven aan Staatsbosbeheer (eigenaar van het gebied) - incl. twee stippenkaarten "niet-zangvogels" en "zangvogels" met daarop de territoria/broedplaatsen aangegeven- en de gemeente Rijnwoude, daarnaast zijn die uit 1998 tm. 2000 gebruikt voor het Atlasproject Nederlandse Broedvogels; uit de in de "Braakbal"-rubriek "Veldwaarnemingen" opgenomen soorten gaan de bijzonderheden via onze VWG-co÷rdinator Tellingen/Inventarisaties naar het SOVON-archief.

In de tabel hiernaast staan de resultaten over een aantal jaren vermeld.

  • Hoogste aantallen staan vet weergegeven
  • RL staat voor Rode Lijst soort

Nieuwe broedvogels

  • 2014: Bruine Kiekendief en Huismus
  • 2013: Patrijs.
  • 2012: Halsbandparkiet
  • 2011: Krakeend, Grauwe vliegenvanger
  • 2007: Havik, IJsvogel

De ontwikkeling door de jaren heen

In 2013 zijn een aantal ontwikkeling op een rijtje gezet.

Standvogels

Standvogels verblijven gedurende het hele jaar in het territorium of in de nabijheid ervan; scheiding met “zwerfvogel” soms wat lastig aan te geven.

Deze groep is duidelijk de “bulk” van de Spookverlaat-broedvogels, met in totaal  niet minder dan 30 soorten. De groep omvat achtereenvolgens: Knobbelzwaan, Grauwe Gans, Canadese Gans, Nijlgans, Wilde Eend, Krakeend, Kuifeend, Buizerd, Sperwer, Havik, Torenvalk, Fazant, Waterhoen, Meerkoet, Turkse Tortel, Grote Bonte Specht, Winterkoning, Heggenmus, Merel, Staartmees, Koolmees, Pimpelmees, Matkop, Boomkruiper, Gaai, Ekster, Zwarte Kraai, Ringmus, Groenling en Putter. Soms is de scheiding met “zwerfvogels” lastig aan te geven.

Bij de standvogels is bijvoorbeeld de Grauwe Gans 9 jaren present geweest met daarover gemeten een gemiddelde van 4,9 territoria. In de jaren 2011, 2012 en 2013 was het aantal vestigingen resp. 8, 11 en 9, waaruit duidelijk blijkt dat de groei er stevig in heeft gezeten.

Het Waterhoenis ook een standvogelsoort en was alle 19 onderzoeksjaren present met een jaargemiddelde van 11,1 territoria. Bekijken we de jaarreeks dan valt het op dat de curve loopt van 8 in 1995 naar uiteindelijk 19 in 2006 en 2007 als hoogste presentie; daarna volgt een scherpe terugval via 9 (2008) naar slechts 5 in 2013. De soort gaat landelijk aanzienlijk achteruit, is niet bepaald “winterhard” en ook ons onderzoeksgebied blijkt dezelfde trend te ondergaan.

Een op de Rode Lijst 2004 voorkomende zangvogelsoort is de Ringmus. Een standvogel met in ons land toch ook wel wat zwerfneigingen. De eerste 4 inventarisatiejaren (1995/1998) troffen de nestkastencontroleurs en Siem van der Haas achtereenvolgens nog 9, 10, 10 en 9 door deze soort gebruikte kunstmatige kraamkamers aan. Toen ging het dus nog over een nog vrij talrijke broedvogel hier. Daarna kwam ook bij ons de klad erin en werd de landelijke trend gevolgd: in 1999 nog 5 territoria, daarna (de jaren 2000 t/m. 2009) een duik naar meermalen 3 en ook 2 en ook enkele keren slechts 1 vestiging (2005 en 2009). Het leek gedaan, drie jaren (2010/2012) met een hatelijke “0” volgden, maar in 2013 werd voedseltransport geconstateerd vanuit het riet langs de Amaliaplas in zowat de richting waar De Zaagbek ligt. Een voedselterritorium ruim rond het nestterritorium. Wie weet is de soort hier nog niet uitgestorven en komt er zoiets als een “revival”!?

Tot slot van de standvogels aandacht voor de Winterkoning, een wintergevoelige en daardoor grillige soort, die zich na een snelle terugval ook weer vlug kan herstellen. Het presentiegemiddelde in het gebied staat momenteel op 24,3. De start in 1995was met 19 territoria, daarna een val naar 9 en 8 in 1996 en 1997, in 2002 stond de teller alweer op 26, 2005 klokte 33 en 2007 bleek tot nu toe een recordjaar met liefst 39; daarna weer een terugval naar 19 en vervolgens weer een opmars naar 26 in 2013.

Zwerfvogels

Vervolgens een blik op enkele zwerfvogelsoorten. Zwerfvogels zwerven buiten de broedtijd, afhankelijk van de voedselsituatie, meer of minder nomadisch door de verre omgeving of in verder weg gelegen landen, zijn in principe geen echte “korte-afstandstrekkers”.

Deze groep omvat 13 soorten, te weten Fuut, Bergeend, Slobeend, Waterral, Scholekster, Holenduif, Houtduif, Ransuil, IJsvogel, Roodborst, Zanglijster, Spreeuw en Rietgors.

De Houtduif is geen zuivere standvogel, maar zwerft rond in zowel de eigen broedregio als door ons land maar ook wel daarbuiten, dit zou kunnen worden betiteld als “licht nomadisch gedrag buiten de broedtijd”. Waar voldoende zaadvoedsel is, kan men de soort aantreffen. Het jaargemiddelde in ons onderzoeksgebied staat op 20,1 en er blijkt sprake te zijn van flinke schommelingen in de broedvogelpopulatie. Dit laat de volgende cijferreeks ook wel zien.
Vogel Broedgevallen
Houtduif 1995-21, 1999-30, 2004-18, 2008-13, 2010-9, 2011-9, 2012-15, 2013 17.
Vanaf 2008 is er voor het eerst een nestelend Havikenpaar aanwezig, wat duidelijk invloed heeft op het houtduivenbestand. Maar ook is er in de jaren 2009/2011 mogelijk sprake geweest van een ondertelling bij de inventarisatie. Daarom is er vanaf 2012 met meer accent op deze soort gelet.

De laatste te behandelen soort in deze categorie is de Rietgors. Ook dit is (buiten de broedtijd) een zaadetende zwerfvogel, die in het winterhalfjaar vaak met vooral allerlei vinkensoorten en leeuweriken is te vinden op stoppelvelden en korte ruige begroeiingen. Dit is ook de hoofdreden waarom de soort pas relatief laat in het broedseizoen aan de  criteria van geldige territoriale waarnemingen voldoet: er wordt nog vaak en lang doorgetrokken door exemplaren op zoek naar een eigen territorium. In het gebied vertoont deze vogel een opvallend patroon van regelmatigheid in presentie, het langjarig gemiddelde staat op 6,1 territoria. Bekijken we de reeks in de tabel dan valt er eigenlijk alleen maar te melden dat de laagste jaarlijkse vaststelling staat op 4 territoria (1x in 2008), verder 3x 5 vestigingen (1995, 2007, 2009), maar daarentegen ook tweemaal 7 presenties (2001 en 2012) en twee keer 8 (1997 en 1998). Kortom, toch eigenlik wel een behoorlijk toonbeeld van regelmaat!

Korteafstandstrekkers

Korteafstandstrekkers verblijven meestal alleen tijdens en rond de broedtijd in ons land, vertoeven verder veelal in gunstiger gelegen streken zoals rond de Middellandse Zee.

De Witte Kwikstaart, Zwartkop, Tjiftjaf en Vink zijn de korteafstandtrekkers in het Spookverlaat.

Deze keer wordt de Tjiftjaferuit gelicht,maar wel gekoppeld aan twee andere soorten. De jaarreeks geeft aan dat deze soort in vergelijking met de categoriegenoten Zwartkop en Vink wat sneller aan een territoriale opmars begon.
Vogel Broedgevallen
Tjiftjaf 1995-5, 1997-12, 2001-13, 2003-14, 2007-22, 2008-14, 2010-16, 2011-20, 2012-22, 2013-20.
Zwartkop 1995-5, 1997-7,   2001-9,   2003-13, 2007-20, 2008-17, 2010-18, 2011-20, 2012-22, 2013-22.
Vink  1995-3, 1997-9,   2001-4,   2003-9,   2007-22, 2008-16, 2010-20, 2011-21, 2012-20, 2013-19.
Opvallend is dat in 2007 de drie soorten allemaal tegelijkertijd voor het eerst 20 territoria vestigden. Ook dat in 2003 Tjiftjaf en Zwartkop ongeveer even talrijk waren, dat de Vink daar toen nog ruim onder zat maar dit vier jaar later helemaal had ingelopen. Opmerkelijk is ook, dat alle drie de soorten in 2008 in vergelijking met het voorgaande jaar zoiets als een dipje vertonen maar dit in 2011 alweer hebben hersteld. Het is interessant om dit wellicht later eens te nader onderzoeken. De laatste drie jaren (2011/2012/2013) blijft de stand stabiel met telkens rond 20 territoria bij iedere soort. Denkelijk heeft de habitat voor dit drietal haar maximale bezettingsmogelijkheden  bereikt.

Langeafstandstrekkers

Zij verblijven alleen  tijdens en rond de broedtijd in ons land, overwinteren vooral in Afrika bezuiden de Sahara of het Arabisch Schiereiland en anderzijds hun Europese broedgebieden.

Ooievaar, Boomvalk, Koekoek, Blauwborst, Rietzanger, Bosrietzanger, Kleine Karekiet, Spotvogel, Grasmus, Tuinfluiter, Fitis, Grauwe Vliegenvanger. Allemaal bij elkaar opgeteld komt dit tot 12 soorten

De meeste soorten arriveren via westelijke en/of zuidelijke trekroutes, sommige vanuit meerdere richtingen en enkele anderen reizen (vrijwel) alleen langs de (zuid)oostelijke trekwegen. Voorbeelden van deze laatste trekkers zijn de Bosrietzanger en gedeeltelijk de Spotvogel. Het is mede daardoor dat Nederland voor deze beide laatstgenoemde vogelsoorten  aan de westrand van het broedareaal ligt, waardoor negatieve invloeden op de totale populaties daar (en dus ook bij ons) het snelst merkbaar zijn.

De Spotvogelstaat op de Nederlandse Rode Lijst 2004 en dit is zichtbaar in de tabel. Na 1995 (8 territoria) maakte de soort jarenlang een duikeling (met zelfs tweemaal 0 en twee keer 1 vestigingen), waaraan pas in 2008 een einde kwam (toen 6 territoria). Sindsdien gaat de stand duidelijk op en neer, in de jaren 2010 t/m. 2013 stond de populatie op achtereenvolgens 3, 11, 5 en 9 territoria.Hoewel het langjarig gemiddelde op 4,4 staat, waren er in het recente verleden twee geweldig positieve uitschieters: 11 vestigingen in 2011 en 9 in 2013. Denkelijk heeft dit niet aan gunstige omstandigheden langs de oostelijke trekbaan gelegen, want de Bosrietzanger bleef tijdens de laatste vier jaren altijd onder diens gemiddelde van 5,2. Het heeft er eerder van weg dat de activiteiten van de VWG commissie Landschapsbeheer zorgen voor meer geschikte habitat voor deze prachtig zingende vogelsoort, want juist in de boskavels waar enkele jaren flink werd uitgedund werd er (kort daarop) sprake van meer vestigingen.

Over de Bosrietzanger luidt het verhaal anders: de getallenreeks laat drie echte topjaren zien, namelijk 1995 en 2008 met allebei 9 en 2006 met 10 territoria. Daardoor is het jaargemiddelde duidelijk opgekrikt naar 5,2. Daarentegen waren er in 2003 en 2013 slechts 2 vestigingen. De oorzaak van de vaak lage en ook gemiddeld dalende presentie ligt hoogstwaarschijnlijk aan het krimpen van het areaal aan vochtige ruigten (geen echt ingrijpende grootschalige kap meer enerzijds en langzaam vorderende bosvorming in ruigtegebieden anderzijds).

Het langjarig gemiddelde bij de Kleine Karekiet is 23,6 territoria. In 15 van de 19 onderzoeksjaren zat het aantal vestigingen daar niet ver van af. Uitschieters naar beneden waren 1995 (14) en 1997 (18), torenhoge scores sprongen eruit in 2006 (31) en 2011 (ook 31). De winter 2010/2011 was in het Sahelgebied vochtig, wat natuurlijk gunstig was voor de overlevingskansen bij de overwinteraars aldaar. De Amaliaplas is bijna altijd een relatief belangrijke vestigingsplek voor deze soort en dus ook een goede waarnemingslocatie. Maar ook: er sneuvelt daar – te zien vanuit de vogelhut – weleens een oudervogel (tijdens een voedseltransport) in de klauwen van een Sperwer!

Ook de Spotvogel vertoonde in 2011 een recordaantal territoria (zie hiervoor), net als trouwens de Rietzanger (7).

Het andere Kleine Karekiet-topjaar 2006 was in het onderzoeksgebied ook gunstig voor de Koekoek(3) en Bosrietzanger(zelfs 10), maar weer niet voor de overige zonet genoemde soorten. En zo valt er op allerlei fronten voor geïnteresseerden meer dan genoeg te ontleden …….

Tot slot wat attentie gevraagd voor de Fitis, een liefhebber van open gebieden met struiken, bos(randen) met onderbegroeiing en vergelijkbare habitatvormen.Speciale eisen stelt deze soort verder eigenlijk niet. In zekere zin kun je deze soort daarom definiëren als een pioniersvogel in struik- en bosgebieden. 
In de eerste helft van de broedvogelinventarisatieperiode (de jaren 1995/2003) liggen de  jaarlijkse territoria-aantallen bijna allemaal hoger dan die tijdens de tweede helft (tijdvak 2004/2013). De gemiddelden in beide periodes verschillen dan ook aanzienlijk: 12,3 tegen 6,9; het 19-jarig gemiddelde staat uiteindelijk op 9,5.

De hoogste aantallen in de begin helft waren:

  • 16 (1996);
  • 15 (1995) en
  • 14 (2001).

De hoogste aantallen in de tweede helft:

  • 10 (2006);
  • 9 (2007);
  • 8 (2009);
  • 8 (2011) en
  • 10 (2013).

dit zijn per tijdvak toch wel aanzienlijke verschillen.

De laagste hoeveelheden: 9 (1997) en 11 (1998, 1999 en 2003) in de eerste tijdvakhelft respectievelijk 4 (2008, 2010 en 2012) en 5 (2004) in de tweede periode laten  relatief grote verscheidenheid zien in de twee tijdvakken. De meest voor de hand liggende verklaring is het ouder worden van de bosjes, met als voornaamste gevolg langzamerhand meer dichtgroeien plus minder lichtinval en mede daardoor een minder aanwezige struiklaag. Landschapsbeheer in de vorm van fors uitdunnen van bomen met als gevolg meer licht, meer bodembegroeiing en struikvorming kan daarom bij de Fitis meer vestigingen bewerkstelligen. Nader onderzoek aangaande de periodisering van het uitdunwerk en grootteverschillen in het aantal vogelterritoria per broedjaar  aldaar kan wellicht meer duidelijkheid scheppen.


Voor vragen over het Spookverlaat/ de Kruiskade kunt u zich richten tot
De website van de VWG wordt actueel gehouden door . Naar de top van deze pagina.