Analyse broedseizoen 2010

Het afgelopen seizoen waren het meest vermeldenswaardig:

  • Purperreiger
  • Grote Zilverreiger
  • Kwak
  • Bruine Kiekendief
  • Havik
  • Sperwer
  • Boomvalk
  • Ransuil
  • Oeverzwaluw
  • Huiszwaluw
  • Blauwborst
  • Vuurgoudhaan
  • Grauwe Vliegenvanger (nieuwe gebiedssoort!)

Buiten de inventarisatierondes maar wel binnen de inventarisatieperiode:

  • Baardman

Bij de ochtendrondes was die van 22 februari (40 soorten waargenomen in/naast/boven het onderzoeksgebied) het stilst, het meeste viel te zien / te horen op 18 mei (67 soorten). De rustigste avondronde was die van 2 maart (15 soorten), de drukste 29 april (48 soorten).

Ontwikkeling van de broedvogelstand

In vergelijking met 2008 (478) daalde het totale aantal territoria / broedparen met 43 naar 427, d.w.z. 9,00%, waarmee het vanaf 1995 gerekend de sterkste daling vertoont en het niveau van 2004 weer ongeveer is bereikt.
De 50 territoriumhoudende / broedende / broedpaarpresente soorten liggen er 2 onder het record van 52 in 2008.
Het totale aantal broedvogelsoorten tijdens de periode 1995 / 2009 staat nog steeds op 70.
Voor het vaststellen van (eventuele) territoria van Ransuil en Waterral is net als voorheen een cd-speler (met terughoudend gebruik) als auditief verleidingsmiddel benut .
Nieuwe broedvogelsoorten dienden zich in 2010 niet aan. Hoewel dit met de Visdief (acties rondom drijvende broedplaats Amaliaplas) en Grauwe Vliegenvanger (net buiten de datumgrens zingend in boskavels sectie 3 tussen Koot en Amalia) wel vlakbij leek.
Het totale aantal soorten resp. territoria / broedparen) van de niet-zangvogels bedroeg 23 resp. 196, dat van de zangvogels 27 resp. 231.

Ontwikkelingen per soort/groep vogels

Roofvogels en uilen

Vergeleken met het broedseizoen 2009 bij de roofvogels en uilen bleef de stand van de Buizerd met 3 territoria gelijk. In de bosjes sectie 1 Oostvaart zijn 2 grote nestjongen gezien. De Sperwer vertoonde alweer een daling: van 2 naar 1. Net als in 2008en 2009 is de Boomvalk wel waargenomen, maar voldeed weer niet aan de criteria voor een territorium. De Torenvalk was dit seizoen sporadisch present maar voldeed evenmin aan de minimum eisen.
Bij de Ransuil was er sprake van 2 territoria, waarvan er 1 twee nestjongen voortbracht waarvan er in elk geval 1 als takkeling is gezien. In combinatie met het derde achtereenvolgende broedgeval van de Havik (1 territorium, daarin 2 nestjongen gezien en als takkelingen ook gehoord) lijkt het weer voor de hand liggend om rekening te houden met in ieder geval het zich niet vestigen van zowel Boomvalk als Torenvalk, ook de daling van de sperwerterritoria van 3 via 2 naar 1 houdt hier mogelijk verband mee. Of het aantal uitgevlogen jongen van Buizerd en Ransuil erdoor is beïnvloed heeft het inventarisatieteam geen zicht.
Wat de eventuele aanwezigheid van de Kerkuil betreft is er in elk geval ander nieuws dan voorheen, zij het negatief: de oude boerderij met opstallen van Van Schie is gesloopt en vervangen door nieuwbouw. De oude schuur met vanaf 2007 jaarlijks gevonden braakballen en verse uilenveren is dus verdwenen …… Mogelijk biedt een geplaatste nestkast (Uilenwerkgroep) in de omgeving nieuw soulaas.

Nadat in 2007 de IJsvogel zich in het gebied vestigde heeft dit zich jaarlijks herhaald, in 2009 waren er minder waarnemingen en werd(en) geen jong(en) gezien, in het verslagjaar 2010 was er geen sprake van een territorium of nestelplaats; de langdurige sneeuw- en ijswinter 2009/2010 is hier zeker debet aan.

Watervogels en rallen

Bij de watervogels en rallen bedroeg het aantal territoria/broedparen van de Knobbelzwaan 5, de Fuut steeg van 6 naar 9 paartjes na een scherpe daling van 11 naar 6 in 2009. De ganzen waren voor het vijfde achtereenvolgend jaar vertegenwoordigd met 4 paren Grote Canadese Gans, de Soepgans met 1, de Grauwe Gans kwam tot 4 koppels, de Brandgans daarentegen tuimelde van 4 naar 0 terwijl de Nijlgans van 4 naar 6 sprong.
Nu al drie jaar achter elkaar scoorde de Bergeend met 1 paar + jongen succesvol, Wilde Eend 70 + Soepeend 6zijn tijdens twee in april rondes geturfd, waarvan de hoogste aantallen mannetjes in een ronde zijn aangehouden. Het blijkt dat 2008 wat deze twee soorten aangaat een uitschieter is geweest, de aantallen lopen nu weer zowat in de pas met die van voor 2008. De Kuifeend zorgt al meerdere jarenvoor pittige discussies, deze keer is uiteindelijk besloten tot 1 territorium (met een aantal kuikens van enkele dagen oud gesignaleerd)..
De Meerkoet groeide een tikkeltje: van 42 naar 47 en blijft dus op zowat hetzelfde niveau;. het Waterhoen deed het net als in 2008 en 2009 slecht: er konden respectievelijk maar 9, 8 en nu 7 territoria worden vastgesteld, deze soort is behoorlijk wintergevoelig wat ook uit SOVON rapportages blijkt.; de Waterral liet alweer verstek gaan en kon in 6 van de nu 16 werkseizoenen als territoriumhoudend worden ingetekend.

Duiven etc.

In de duivensector deden zich vergeleken met 2009 wat mutaties voor: de Holenduif bleef vrij constant (5) paartjes, hoewel de trend sinds 2004 dalend is. Daarentegen viel de Houtduif als een steen van 17 naar 9 territoria/broedparen, wat verreweg de laagste stand in 17 jaar is; invloed van de Havik lijkt hiervoor mogelijk mede verantwoordelijk, maar ook het langdurige sneeuwdek van ± 2 maanden in de afgelopen winter zal onder deze bodemfoeragerende soort zijn tol hebben geëist. De Turkse Tortel voldeed weer niet aan de eisen voor een territorium.
Bij de Fazant bleek er verrassenderwijs een stijging te signaleren: van 5 naar 6 territoriale hanen en de Grote Bonte Specht kwam na enkele wat magere jaren weer uit op 4, wat in de periode 2003 t/m. 2007 al het geval was met een uitschieter van zelfs 5 in 2005. Jammer genoeg deed de Koekoek het met alweer maar 1 territorium magertjes, maar dit is al een tijdlang het gemiddelde landelijke beeld: het is niet voor niets een Rode Lijst soort ………..
Tot slot: het broedsel van het Ooievaarstelletje leverde maar liefst 3 uitgevolgen jongen op. De Scholekster nestelde met 1 paartje op het Amalia-eiland en wist alle drie de kuikens groot te brengen, het was de vierde poging in de 16-jarige reeks.

Ooievaarouder met drie hongerige koppies onder zich Scholekster op wacht vlakbij de nestelplaats

Moeraszangertjes

Starten met een recordpresentie is natuurlijk altijd leuk: de Rietzanger scoorde niet minder dan 3 “eigen erfjes”. In vergelijking met 2006 en 2008 zit de Bosrietzanger (5) gemiddelde presentie over de gehele periode van 16 seizoenen. Diens neef/nicht Kleine Karekiet kwam nu op 23 uit, wat ongeveer gemiddeld. Na een paar goede seizoenen presenteerde de Spotvogel zich met 3 zingende “heertjes” weer op gemiddeld niveau. De Rietgors vertoont als sinds 2004 (toen 8 territoria) een dalende tendens, zat in 2008 op het laagste niveau (4) ooit en bracht het in 2010 tot 6 territoria/broedgevallen, wat weer gemiddeld is over de hele periode van 16 jaar. Voor de derde achtereenvolgende en in totaal vierde keer vestigde de Blauwborst zich, deze Rode Lijstsoort tevens vogel van de Europese Vogelrichtlijn lijkt gelukkig een permanente verschijning te worden.

De bos- en struweelzangers

Bij de Fitis is de presentiecurve erg onregelmatig en opmerkelijk: van 10 (2006) via 4 (2008) naar 8 in 2009 en nu weer een dieptepunt met maar 4 zingende mannen; met een gemiddelde van 1995 t/m. 2003 van ± 12 territoria vertoont de grafiek vanaf 2003 vaak scherpe pieken en dalen met een duidelijke tendens tot populatieafname (periode 2004 t/m. 2010 gemiddeld 7).
De Grasmus was er maar met 1 territorium (hakhoutpercelen tussen De Frankrijker en Compier), in vergelijking met de periode 1998/2003 ligt het populatieniveau 2004/2010 structureel duidelijk lager. Aangaande de Tjiftjaf de opmerking, dat het aantal van 16 soorteigen gebiedjes in de hele jaarreeks de tweede plaats inneemt.
Bij de Zwartkop (b)lijkt een aantal van 18 territoria wel zo ongeveer het gebiedsmaximum te zijn: sinds 2004 zit de soort jaarlijks rond dit aantal. De Tuinfluiter daarentegen schoot in 2009 als een komeet omhoog naar de recordhoogte van niet minder dan 21, en moest het in2010 met 4 minder doen (17).
Een andere bos- en struweelvogelgroep, die van de (bos)lijsters, vertoont ook een gedifferentieerd beeld.
Bij de Roodborst leek de groei er sinds 2005 jaarlijks in te zitten: van 5 territoria in 2008 naar 8 in 2009, om vooralsnog onduidelijke redenen kelderde de stand in 2010 naar 3 (niveau 2006). Ook de Zanglijster vertoont min of meer dit beeld: van 5 in 2009 naar 2 een jaar later. De Merel steeg van 17 naar 18 in dit verslagjaar, wat neerkomt op het niveau van einde jaren ’90.

mannetje Vink op voedseltocht alerte Roodborst op pakafstand Witte Kwikstaart op voedselstrooptocht

Mezen

Bij de mezen en aanverwanten constateren we een ongeveer gemiddeld broedseizoen: de Koolmees zakte wat (-2 = - 11,1%) in vergelijking met 2009, terwijl bij de Pinpelmees (-2 = -15,4) mogelijk de oorzaak in de lange sneeuwwinter ‘09/’10 ligt. De Matkop bleef voor het derde achtereenvolgende jaar op 0 en lijkt na een presentie van 6 jaar met 1 tot 2 territoria in het gebied nu dan toch weer uitgestorven. De Staartmees bezette 2 territoria, wat gezien de voor deze soort moeilijke winter een meevaller is. Met 3 territoria zakte de Boomkruiper er eentje in vergelijking met het voorgaande jaar, maar dit aantal mag er toch best zijn.

Zowel de Ringmus als de Spreeuw bleven marginale soorten: de laatstgenoemde broedde in 2001 voor het laatst (1 nestkast bezet) en mag nu wel definitief als uitgestorven worden beschouwd. Eerstgenoemde was nog steeds jaarlijks present, maar zakte nu van 1 naar 0 bezette kasten. Met de grote landelijke terugval in het achterhoofd is de vrees gerechtvaardigd dat deze Rode Lijstsoort in het onderzoeksgebied nu ook op uitsterven staat.

Vinken

Bekijken we de vinkenfamilie dan valt het op dat Putter, Kneu en toch ook de Groenling marginale soorten waren en blijven: lage en onregelmatige presentie, tijdens dit verslagjaar vestigde deze soorten respectievelijk 2, 0 en 1 territoria. Bij de Vink ligt dit anders, hoewel ook hier de presentie wat schommelt (sinds 2005 tussen 14 en 22); in 2010 20 zingende mannetjes, wat een vice- recordjaar blijkt (2007: 22).
Letten we speciaal op de drie in ongeveer hetzelfde habitat voorkomende soorten Vink, Tjiftjaf en Zwartkop dan valt het meteen op dat elke soort op ongeveer diens maximum lijkt te zitten, kennelijk kan de habitat er (in de huidige vorm) niet meer aan en zit het gebied wat deze soorten aangaat “vol”.

Overige zangvogels

Rest nog een drietal kleine zangvogelsoorten als Witte Kwikstaart, Heggenmus en Winterkoning.
De eerstgenoemde soort bezette in de jaarreeks zijn vijfde en zesde territorium, de eerste twee waren van een bijna grijs verleden: 1995 en 1996, de beide voorlaatste in 2008 en 2009, in 2010 waren er zelfs twee territoria waarvan er in elk geval een ouderpaar met foeragerende juveniele vogels is gezien .
Van de Heggenmus zou, afgaand op enkele forse uitdunningen van de laatste winters, wellicht een groter aantal territoria dan 9 (topjaar was 2005 met 12) mogen worden verwacht; toch lijkt de tendens van deze soort momenteel wel weer wat stijgend: 2010 bracht het tot 10 territoria (op een na hoogste aantal in 16 jaren).
Bij de in het gebied meest voorkomende bosvogelsoort, “Klein Jantje” ofwel de Winterkoning, blijkt 2007 nog steeds het topjaar (39) te zijn geweest; in vergelijking met 2009 (30) zakte de stand naar 19 territoria flink (niet onlogisch na een lange sneeuwrijke winter).

Kraaiachtigen

Tot slot de kraaiachtigen: de Gaai vertoonde de laatste jaren een relatief forse daling, en wel van 8 in 2005 naar nog slechts 3 territoria in 2009; mogelijk krabbelt de soort nu toch weer wat op: in 2010 werden er 7 territoria gekarteerd. Een zelfde tendens zien we bij de Ekster, in 2005 bezette deze nog 11 territoria en in 2009 nog maar 4; mogelijk stabiliseert dit aantal zich min of meer met 5 territoria in dit verslagjaar. Concurrentie van de Zwarte Kraai en predatie door de Havik lijken mogelijke voor de hand liggende oorzaken.
Vanaf 2005 laat ook de Zwarte Kraai een terugval zien (18-14-14-13-14) en nu weer 13. blijkbaar was 2005 met 18 een incidenteel topjaar. In feite is er sinds 2006 sprake van een stabiele populatie nadat er in de periode 1995/2004 een geleidelijke stijging plaatsvond.

Meer van langer geleden?

Meer ontwikkelingen door de tijd treft u in het overzicht van alle onderzoeksjaren vanaf 1995 tot heden

Meer over 2010?


©VWG Koudekerk / Hazerswoude e.o |
Naar de top van deze pagina
| Meer informatie kunt u inwinnen bij