In de periode 21 februari t/m. 16 augustus 2002 is de broedvogelbevolking van dit kerngebied van onze vereniging voor de achtste achtereenvolgende keer geīnventariseerd. Hiervoor werden vijftien (elf ochtend- en vier avond-)bezoeken benut, waarvan 's avonds een voor en drie voor / na zonsondergang. De data:

      • 21-02,
      • 11-03, 21-03 (avond / nacht),
      • 04-04, 12-04 (avond / nacht), 22-04,
      • 10-05 (avond / nacht), 11-05, 17-05, 30-05,
      • 10-06,
      • 08-07 (avond), 11-07, 31-07
      • en 16-08.

Inventariseerder Bert van Eijk werd geassisteerd door Geert-Jan van Beek en tijdens de avond- en nachtronden door nog enkele andere VWG-leden.
De weersomstandigheden waren gemiddeld redelijk tot goed te noemen: slechts tweemaal regen tijdens het veldwerk, viermaal nogal veel bewolking, de overige negen rondes half bewolkt met zon tot echt helder zonnig weer. Tot begin april waren de temperaturen niet echt om ervan te genieten (vanaf 5ēC), daarna redelijk tot aangenaam, eenmaal 29°C. Veel wind was er doorgaans niet: variatie van kracht 2 tot 5, het woei achtmaal uit de hoek ZW tot W en zeven keer van ZO via O tot N. Als inventarisatierichtlijnen werden de SOVON-BMP-regels van 1996 gehanteerd, deze gaan meer uit van het begrip "territorium" dan van broedzekerheid. Als de presentiewaarnemingen aan de regels voldoen zijn ze dus geldig, ook al ben je er als veldwerker welhaast zeker van dat er niet daadwerkelijk is gebroed. Bij Holenduif, Torenvalk, Ringmus en Pimpelmees zijn de nestkastenbeheersresultaten aanvullend in het totaal verwerkt wanneer daar volgens de SOVON-BMP-richtlijnen aanleiding voor was. Tijdens zo'n twee tot drie uur durende wandeling worden natuurlijk boven en in het gebied ook allerlei niet-broedvogels waargenomen. De nabij gelegen weilanden en boerenerven leveren ook de nodige (niet te inventariseren) soorten op. In de zes maanden durende periode kwam ik rondom en boven me 82 (1995 tm. 2001 resp. 80, 75, 85, 76, 78, 83 en 81) vogelsoorten tegen. Echte "knallers" zaten er dit seizoen niet tussen, wel veel op zich leuke of mooie waarnemingen. Bij de ochtendronden was het waargenomen aantal soorten het laagst op 16-08: 38 en 21-02: 39, het hoogst op 11-05 en 30-05: 55. In de periode 22-04 tm. 11-07 kwam ik per ronde minstens 50 soorten tegen. Er viel dus eigenlijk altijd wel van veel variatie te genieten !
Vergeleken met 2001 valt het op, dat het totale aantal territoria/broedparen licht steeg: het hoogste sinds in 1995 werd gestart. Wel is het totale aantal van 44 territoriumhoudende/broedpaarpresente/broedende soorten ten opzichte van 2001 met 2 gedaald. Voor het vaststellen van territoria van Ransuil en Waterral is net als de vorige jaren een cd-speler (terughoudend gebruikt) als auditief verleidingsmiddel benut. Kwalitatief en kwantitatief deden de roofvogels en uilen het goed: 1 broedgeval + 1 territorium van de Buizerd, 2 broedgevallen van de Sperwer, 1 idem van de Boomvalk en 1 van de Torenvalk, alsmede 4 territoria (waarvan 1 broedgeval met 3 vliegvlugge jongen) van de Ransuil.
Nieuwe soorten (4) waren

  1. Brandgans (vrij levende exoot afkomstig uit collectie, 1 paar met jongen),
  2. Smient (vleugellam mannetje op vogelplas, later met vrouwtje en jong),
  3. Braamsluiper (laat present en zingend mannetje, moest op grond van de criteria worden meegerekend, elders verstoord ?)
  4. en Staartmees (met meteen maar liefst 3 territoria/tevens bewezen broedgevallen: ouders met jongen).

De Canadese Gans (vrij levende exoot uit collectie afkomstig) vermeerderde zich sterk (nu drie paren met jongen). Houtduif en Gaai zijn mogelijk wat onderteld. Meerdere soorten vertonen al enkele jaren een stabiel peil, waaruit kan worden geconcludeerd dat deze in het gebied qua biotoop op ongeveer hun maximum zitten. Uit een aantal presenties/broedgevallen valt op te maken dat de bosjes intussen wat ouder aan het worden zijn: al een paar jaar broedgevallen van Sperwer en Buizerd, presentie van de Grote Bonte Specht met alweer twee territoria, gestaag meer Zwartkop. Bij de Fuut valt het nog steeds op dat er altijd meer territoriumhoudende paren zijn dan daadwerkelijke broedgevallen (nu resp. 8 en 5). De Knobbelzwaan houdt zich voor de datumgrens jaarlijks met duidelijk meer paren in het gebied op dan er later blijken te nestelen. Sterke schommeling vertoont het Waterhoen, flinke achteruitgang wordt geconstateerd bij Gaai (verstoring/predatie door zwarte kraai/ekster/buizerd/sperwer of onderteld ?) en Fazant (gaat gestaag achteruit). Duidelijk in de plus zaten dit seizoen bij de zangvogels: Heggenmus, Tuinfluiter (weer terug op het oude niveau) en Merel.
Het totale aantal soorten dat vanaf 1995 tot en met 2002 in het gebied territoriaal was / broedpaarpresentie had dan wel broedde liep op naar 59. Bekijk voor meer details en ontwikkelingen de aantallen vanaf 1995 tot heden.

Al met al zitten er nu acht jaren inventarisatiewerk op, nog twee erbij en dan zijn er wellicht wat conclusies te trekken. Wie weet kunnen er dan ook gerichte beheersuggesties aan Staatsbosbeheer worden voorgelegd en tijdens het periodiek overleg besproken. Jaarlijks Nachtegaal/Wielewaal ? Meer Waterrallen of Bosrietzangers?


©VWG Koudekerk / Hazerswoude e.o |
Naar de top van deze pagina
| Meer informatie kunt u inwinnen bij