2021

Amalia
Pad naar Amalia
Meerkoet met jongen
Meerkoet met jongen
Halsbandparkiet
Halsbandparkiet
Winterkoning
Plasje naast de Oostvaart

Alles bij elkaar gaat het in de bovenstaande tabel om intussen 82 geldige broedvogelsoorten gedurende 27 aaneengesloten inventarisatiejaren, die gezamenlijk maar liefst 12.405 geldige territoria produceerden! Dit komt neer op een jaarlijks gemiddelde van 459. Het hoogste jaargemiddelde vinden we bij de Wilde Eend met 68,3 territoria, het laagste blijkt op 1,0 te liggen en wordt gedeeld door niet minder dan 24 verschillende soorten.

Gaan we iets dieper op deze materie in, met nu apart attentie voor de groepen niet-zangvogels en zangvogels, dan komen we alweer uit op de Wilde Eend (68,3) in de eerstgenoemde groep, gevolgd door de Meerkoet met 30,6 en de Grauwe Gans met 21,7. Bij de zangvogels treffen we op de bovenste drie plaatsen aan: Winterkoning met 27,7 – Kleine Karekiet 25,3 – Merel 21,8. In beide groepen staan respectievelijk 14 en 10 soorten op de laagste sport met allemaal gemiddeld 1 vestiging.

Natuurlijk kan dit op meerdere manieren worden vervolgd, maar er vallen ook nog allerlei andere onderdelen te belichten. Laten we daarom onze aandacht nu eens verschuiven op o.a. soortvergelijkingen in de breedte, dat houdt het wel zo leuk en interessant.

Zo kunnen we bijvoorbeeld groei en vermindering aangaande het jaarlijkse aantal territoria bij soorten in een vast gebied vergelijken. Hier valt meteen op, dat er zich onderling veel verschillen voordoen. Denk bijvoorbeeld aan een structurele groei, een zich doorzettende langdurige achteruitgang, gelijkmatigheid over de gehele jarenlinie (of een groot deel daarvan) of een doorlopend, onregelmatig verloop, maar ook uitsterven, nieuwe vestiging, enz. Vaak is een oorzaak wel duidelijk, soms zijn er meerdere aanwijzingen, maar regelmatig blijkt het moeilijk of zelfs (nog) niet mogelijk om redenen onderbouwd te benoemen.

Laten we beginnen met wat zangvogelsoorten, die zich bij voorkeur vestigen in een jong maar groeiend bosgebied, met daarin wat hogere bomen, maar ook voldoende struikgewas om op vooral insecten te kunnenfoerageren en te nestelen. Ingeval van stand- of doortrekvogels kan het daarbij ook van belang zijn dat er mogelijkheden zijn voor gedeeltelijke bodemfoerageerders.

Zwartkop, de Tjiftjaf en de Vink                                  

Enkele soorten met bovenstaande vestigingswensen in het BMP-plot 4716, Spookverlaat-Kruiskadegebied, zijn de Zwartkop, de Tjiftjaf en de Vink.

In 1995, toen het monitoren werd gestart, hadden deze drie soorten achtereenvolgens slechts 5, 5 en 3 territoria bezet. Tijdens het broedseizoen 2000 was er sprake van 7, 10 en 8, en in 2003 13, 14 en 9; dus vooral bij de Zwartkop en de Tjiftjaf zat er flinke groei, de Vink liet dat nog niet in die mate zien. Blijkbaar is laatstgenoemde meer gebaat bij hogere bomen dan bij meer struikgewas. Dit is niet onlogisch, omdat deze soort nesten in bomen bouwt en de beide anderen dit in struiken doen. En zo snel gaat bomengroei nu eenmaal niet, dus dit is duidelijk zichtbaar in de groei van het aantal territoria bij deze drie soorten.

In 2007 zijn de cijfers anders: de drie soorten hadden een ongeveer gelijk aantal territoria gevestigd: de Zwartkop 20, de Tjiftjaf 22 en de Vink ook 22. De mogelijkheden voor de Vink hebben zich blijkbaar verbeterd binnen vier jaar.

Zes jaren later, in 2013, bleek er sprake van 22, 20 en 19 geldige vestigingen, dus leek een conclusie, dat rond 20 territoria mogelijk de draagkracht van het hele gebied zou kunnen zijn. Het jaar 2016 kwam tot 26, 22 en 24 “eigen erfjes”, er bleek dus nog ietwat rek in te zitten.

De laatste twee broedseizoenen, 2020 en 2021, laten voor de Zwartkop 33 en 35 geldige vestigingen zien, de Tjiftjaf bezette er 26 en 27, de Vink tenslotte deed het met 20 en 16. Relatief dus behoorlijke verschillen.

Opmerkelijk was, dat er in maart 2020 langs de Spookverlaatrijweg tussen boerderij Koot en het ooievaarsnest/de vogelobservatiehut door SBB de twee het dichtst bij de weg liggende boskavels helemaal werden gekapt, waarna de flora daarop  enorm snel reageerde. Dat deze gebiedjes in 2020 en 2021 alweer ongelooflijk vlug met snelgroeiende struikjes dicht waren gegroeid, scheelde met name voor de Vink mogelijk een aantal territoria in negatieve zin voor het totale onderzoeksgebied.

Maar de Tjiftjaf groeide juist met een relatief klein aantal vestigingen over het geheel te inventariseren gebied en de Zwartkop deed het ook ietwat beter in het totaal. Elders moet er dus sprake zijn geweest van groei van de aantallen vestigingen. De twee bovengenoemde in 2020 gekapte kavels leverden duidelijk minder bevolkingsdichtheid op dan de twee met bomen ernaast, die als zodanig gespaard waren gebleven. Het lijkt daarom reëler om deze uitkomsten in plaats van strikt mini-lokaal te bezien over het gehele onderzoeksgebied, omdat er in bijna alle kavels de laatste vijf jaren relatief forse ingrepen waren.

Gevolgen van de essenkap in 2017

Daarom nu ook een duik in de invloeden op de avifauna, veroorzaakt door de essenkap vanaf 2017 en de daarmee gepaard gaande andere aanpassingen, in het gehele gebied. Zoals het scheppen van ruimte voor lagere begroeiing enerzijds en het aanplanten van nieuw bomenplantgoed anderzijds. Er was voor de auteur helaas geen mogelijkheid om de soortkaarten jaarlijks te vergelijken.

De totale bezetting in de jaren 2015 t/m. 2021 bedroeg achtereenvolgens 550, 493, 520, 483, 473, 616 en 658 geldige territoria. Opvallend is dat dit in de broedseizoenen 2015 en 2016 (dus voor de essenkapstart in 2017) deels iets hoger lag en meteen na 2017 gedurende twee seizoenen wat duikelde. Meteen daarna, in 2020 en 2021 schoot het totaal vergeleken met de 473 in 2019 omhoog met bijna 150 exrtra in 2020 (naar 616) en daarna in 2021 zelfs nog zo’n 40 meer, grofweg een groei van bijna 190 (658) vergeleken met 2019.

Bij forse ingrepen ontstaat er meer floraruimte met duidelijke veranderingen in de begroeiing. Het ligt  voor de hand dat er meer vestigingskansen komen voor soorten, die voorkeur hebben voor lagere bodembedekkers, los van elkaar staande lage, middelhoge en/of hogere struiken en wat verspreid staande bomen. Voor een deel gaat het dan om zogenaamde “secundaire pioniersoorten” als bijvoorbeeld Heggenmus, Fitis en Kneu, die daarna bij groeiveranderingen soms weer verdwijnen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld open duingebieden als aansprekend voorbeeld. Afhankelijk van de ligging van de ingrepen ten opzichte van aangrenzende gebieden (zoals bomenrijen, bosranden, ruigtes, droger moeras met wat struiken, enz.) zijn vestigingen van voorheen op die plekken (nog) afwezige soorten in meerdere gevallen ook mogelijk.

Maar het bovenstaande gaat niet altijd op, omdat er mogelijk (nog?) niet aan alle voorwaarden wordt voldaan. Of omdat er soorten zijn, die het niet altijd zo nauw nemen met hun keuze en veelzijdiger zijn in bijvoorbeeld de voedselvoorziening.

Toch is er een aantal vogelsoorten in het gebied, dat een relatief flinke vestigingsgroei laat zien dat in de periode 2017/2021. Daarbij lijkt het opmerkelijk, dat er ook een aantal soorten bij is dat ogenschijnlijk weinig of niets te maken lijkt te hebben met grootschalig kapwerk. Dit is verklaarbaar, maar men moet zich erin verdiepen, voldoende kennis van zaken hebben, logisch redeneren en ook wat grijze cellen activeren! Daarentegen kan ook het tegenovergestelde (= “verliezers”) het geval zijn.

Wat voorbeelden van “winnaars”

  • Grauwe Gans: 43, 36, 37, 57, 57; al sterke groei vanaf 2014, periode 2014/2016: 20, 38, 37; groei is landelijk, in het onderzoeksgebied zijn op meerdere plekken bomen verwijderd met als gevolg aldaar dichte struikgroei: meer nestelgelegenheid nabij water en riet; mogelijk heeft dit mede een forse bestandsgroei bevorderd in 2020 en 2021.
  • Winterkoning
    Winterkoning: 35, 37, 32, 42, 43; is behalve in 1996 en 1997 altijd al een erg talrijke broedvogel geweest. Met relatief wat grotere aantalswisselingen als gevolg van wat strengere winters of incidentele grootschaliger bomenkap door SBB (zie afwisselende territoriaseries van 20- en 30-tallen), met in 2020 en 2021 ineens 42 en 43 vestigingen. Via de jaarlijkse soortkaarten kan per boskavel desgewenst worden nagegaan waar veranderingen plaatsvonden. Het kan wellicht een reden zijn voor de huidige groei dat in de laatste paar jaren floraverdunning voordelig voor deze soort heeft uitgepakt.
  • Rietzanger: 5, 7, 4, 5, 16; deze bewoner van wat droger rietland met daarin her en der wat struiken heeft kennelijk wat voordeel gehad van het creëren van ruigtegebiedjes in enkele aangrenzende boskavels. In 2021 schoot het aantal vestigingen plotsklaps omhoog van gemiddeld 5 in de periode 2017/2020 naar 16. Een dik record want het hoogst was daarvoor tweemaal 7. Daarnaast was een positieve situatie in het Afrikaanse overwinteringsgebied mogelijk ook een gunstige factor. Verder kent deze soort ook meerdere trekbaanroutes, die verschillende invloeden kunnen uitoefenen. De komende jaren geven hopelijk wat meer zekerheden omtrent deze situatie. 
  • Bosrietzanger: 5, 8, 7, 9, 13; de naam van deze soort zegt het eigenlijk al: geen echte rietbewoner, maar evenmin een duidelijke bosbewoner. Leeft in overgangssituaties zoals vochtige ruigtegebiedjes, rietranden met daarin enkele struiken en grenzend aan bijvoorbeeld ruig opstaand gras. Bezet ook, door kapwerk veroorzaakte grotere, min of meer vochtige en schaars met bomen/struiken/ruigte begroeide halfopen ruimtes, met daaromheen beboste gebiedjes. Meestal duurt dit niet lang doordat er vlug sprake is van dichtgroeien, zodat deze soort daar eigenlijk zoiets als een semi-pioniersvogelfunctie uitoefent. Dit heeft zich ongeveer vijftien á twintig jaar geleden voorgedaan, nadat Staatsbos o.a. in het zogenaamde Driehoeksbos naast de N11 fors commercieel had gekapt. Na een of twee jaar profiteerden meerdere “Bosrieten” toen tijdelijk van de voor hen gunstige situatie. Als BVI-team verwachtten wij dat er zich wellicht soortgelijke omstandigheden zouden kunnen gaan voordoen in sommige boskavels, die enkele jaren geleden fors waren uitgedund wegens de essensterfte. Vanaf 2018 leek het erop dat er zich op enkele plaatsen inderdaad een lichte toename voordeed (2018, 2019 en 2020) met achtereenvolgens in het hele gebied een relatief hogere score dan in een flink aantal jarenlang daarvoor: van 8, 7 en 9 territoria. Maar in 2021 zette dit zich opeens door met een dik record van 13 vestigingen (vorig record was 10 in 2006). Net als bij de Rietzanger zou er ook hierbij sprake kunnen zijn geweest van gunstige omstandigheden in Afrikaanse overwinteringsgebieden. Of via andere voorjaarstrekinvloeden, omdat deze soort “om de Oost” via Turkije en het Kaukasusgebergte de Europese broedplaatsen bezet. Meer duidelijkheid hierover in volgende jaren?
  • Kleine Karekiet: 29, 26, 21, 36, 40; de vraag of ook de Kleine Karekiet als “echte” riet-broedvogel zou kunnen profiteren van grootschalig bomenkapwerk is zeker begrijpelijk. Het antwoord is ja: deze insectenetende soort foerageert graag en dikwijls ook in de randbegroeiing naast moerasgebieden. Na fors kapwerk nabij de nestelplekken in het riet is daar al gauw sprake van de nodige struikenbegroeiing, die dan de extra ruimte met ook meer lucht en zon snel in bezit neemt. En in lagere struiken is het makkelijker en succesvoller foerageren dan in hogere bomen. De nesten zijn dichterbij, wat tijd en energiewinst oplevert. Jammer genoeg hebben we als team geen gelegenheid gehad om per boskavel met riet ernaast de soortkaarten van de tot nog toe behandelde soorten per jaar te vergelijken. Misschien is dit interessant om te wanneer minder mobiliteit binnen het team is.
    Als de hele jaarreeks 1995/2021 wordt uitgeplozen, blijkt, dat deze relatief aardig gelijkmatig verloopt, met bijna altijd aantallen territoria tussen 20 en 30, meestal rond de 25 territoria. Incidenteel was er sprake van enkele dertigers: 2006 – 31, 2011 – 31, 2015 – 33 en 2020 – 36. Opvallend is, dat er in 2021 voor het eerst sprake was van 40 vestigingen. Deed zich een groeistuipje voor, en zo ja, waar? Maar ook weer: hoe was de situatie in de Afrikaanse overwinteringsgebieden tijdens “onze” winter 2020/2021? En deed zich iets voor- of nadeligs voor langs de trekbanen in de herfst of het voorjaar?
  • Spotvogel
    Spotvogel: 8, 10, 9, 16, 15; bewoont in elk geval in “ons” onderzoeksgebied een habitat, die deels wat overeenkomsten heeft met de habitat van de Bosrietzanger. Redelijk open met wat bomen en ook rijke ondergroei, wat ruigte mag er ook bij maar liever niet al te droog. Verder vindt deze soort oude bomen een pré, die in het onderzoeksgebied eigenlijk alleen maar op de Kruiskade voorkomen. Ook is het een NL Rode Lijstsoort, wat het beschouwingswerk interessanter maakt. Sinds ongeveer 2010 wordt er in halfjaarlijks overleg tussen Staatsbosbeheer en de VWG-commissie Landschapsbeheer planmatig gekeken naar    vooral het aspect “ruimte” in de boskavels. Dit laatste bevordert de biodiversiteit in veel opzichten en is daarom tegenwoordig steeds meer van belang. Het lijkt er sterk op, dat o.a. de Spotvogel hier duidelijke voordelen van ondervindt. Sinds 2011 is er vrijwel jaarlijks in het hele gebied sprake van (bijna) 10 tot 12-jaarlijkse territoria. Tot voor kort was 2015 het “topjaar” met 12 vestigingen, maar in 2020 deed de soort het met 16 nog beter (33% recordverbetering!). Het jaar daarop zat de score er met 15 pal tegenaan! Aan de reacties op on ingestuurde werk is te merken dat SBB hier duidelijk trots op is. Ook SOVON is dit al jarenlang opgevallen. We blijven uiteraard extra benieuwd naar de voortgang in de komende seizoenen.
  • Grasmus
    Grasmus: 0, 0, 0, 2, 7: de jaren 1999 t/m. 2003 waren voor deze niet echt talrijke gebieds-broedvogelsoort het meest “vruchtbaar” qua presentie. Jaarlijks werden toen respectievelijk 5, 6, 4, 5, en 4 “eigen erfjes” bezet. Daarvoor (1995/1998) en erna (2004/2020) bleef de presentie laag met jaarlijks slechts 1 t/m. 3 territoria. Ook een nul-presentie deed zich relatief vaak voor en wel tijdens 8 broedseizoenen. De soortbetiteling werd door het team langzamerhand aangepast met de vermelding “marginale broedvogelsoort”. Maar vogels zijn regelmatig onpeilbaar in hun aanwezigheid, wat ook in 2021 geheel onverwacht bleek: op meerdere plekken waar de soort zich nog nooit had gevestigd, kwam het team hem nu wèl met territoriale zang en/of visueel tegen: 7 territoria! Deze aan de west- en/of oostrand aanwezige soort bleek nu op allerlei tussenliggende boskavels aanwezig te zijn en altijd op plekken, waar de afgelopen jaren veel meer halfopen bos was gecreëerd. Ook de Grasmus voelt zich het best thuis in bijvoorbeeld halfopen duingebieden, niet omdat dit met de zanderige bodem aldaar te maken heeft, maar met voorliefde voor struiken met enkele bomen (zang- en baltsvlucht-gelegenheid) en veel opener stukken land ertussen. Het forse kapwerk en als gevolg daarvan alle mogelijkheden voor lager bij de bodem blijvende begroeiing bood betere verblijfs- en nestelmogelijkheden voor deze duidelijk aanwezige soort. Omdat het ook om een lange-afstandstrekker gaat kunnen ook hierbij gunstige omstandigheden in de Afrikaanse winterkwartieren hebben bijgedragen aan talrijkere vestigingen. Deze trekvogel gebruikt vooral NW-Afrika om West- en Midden-Europa te verlaten/bereiken, oostelijker liggende trekbanen zijn veel meer gericht op Zuidoost- en Oost-Europa. Vaak gaan meerdere situaties samen, dus is het een kwestie van toekomstige ervaringen om er desgewenst meer over te weten te komen.
  • Boomkruiper
    Boomkruiper: 7, 7, 8, 6, 8; de eerste geldige vestiging van deze leuke soort in het onderzoeksgebied dateert van 2001, met maar 1 territorium. In de volgende zes jaar deden zich maar twee vestigingen voor van resp. 1 en 3. Nog steeds waren de nestel- en/of foerageeromstandigheden blijkbaar ontoereikend. Sinds 2008 heeft de Boomkruiper zich echter jaarlijks geldig als broedvogelsoort in het gebied gevestigd. In de periode 2008/2013 met 1 t/m. 4 territoria, daarna in het tijdvak 2014 t/m. 2021 met 5 t/m. 8. Blijkbaar maakt het voor deze soort amper uit of er veel wordt uitgedund.     Als er maar voldoende gelegenheid is om te foerageren in intussen groter/dikker/ouder geworden bomen (gegroefde boomschors e.d.) en te nestelen (boomholen, loshangende schors, afgescheurde takkengaten, diepe wat brede spleten, enz.). Mogelijk is een ruimere opzet dan zelfs nog beter om dit gebied nog intensiever te beutten. Opmerkelijk is, dat enkele opgehangen en speciaal voor deze soort bestemde nestkasten helemaal niet, of alleen maar door Kool- en Pimpelmezen en mogelijk de Winterkoning worden gebruikt. Ook in de Leiderdorpse Houtkamp/Heemtuin is dit het geval ……

Natuurlijk valt er nog veel meer te onderzoeken, uit te diepen, anders te benaderen, enz. Maar het lijkt me dat een minder omvangrijke tabel en een korter onderzoeksonderwerp in een “Braakbal”- bijdrage beter past, voldoende is en de leesbaarheid stimuleert. De rapportage aan Staatsbosbeheer/SOVON is ook aangepast.

Slot

Bert

Met dank aan de teamleden, , en aangaande het veldwerk en wat daar allemaal bij hoort, Cor als nestkastenbeheerder en twee “stagiaires” , die allen met plezier en kennisgroei hebben bijgedragen aan het totale “product” ter bescherming van onze avifauna en andere natuurelementen. Nu óp naar maart 2022 (dan alweer BMP-seizoen nummer 28!).

Belangstelling? Een keer of meermalen buiten ervaren? Vragen? Neem gerust contact op!                           

Meer van langer geleden?

Meer ontwikkelingen door de tijd treft u in het overzicht van alle onderzoeksjaren vanaf 1995 tot heden

Contact

Voor vragen over het Spookverlaat/ de Kruiskade kunt u zich tot richten.